Moties en ijsjes met slagroom

Leestijd: vier minuten

Tweede Kamerleden dienen steeds meer moties in. Volgens de NOS is de verwachting dat we dit jaar voor het eerst de grens van 5.000 moties passeren. Ook bij de behandeling van de Wet toekomst pensioenen regende het moties. Op dinsdag 20 december 2022 stemde de Tweede Kamer over  50 moties en nam 20 daarvan aan.

Met alle respect voor onze volksvertegenwoordigers (de behandeling van de WTP was een hele klus en is buitengewoon zorgvuldig gedaan) blijkt uit een van deze moties dat de desbetreffende parlementariërs onvoldoende inzicht hebben in de verzekeringstechnische achtergrond van pensioenen. Dat geldt niet alleen voor de indieners, maar ook voor de rest, want de motie is aangenomen. Waar iedere Nederlander snapt dat een ijsje met slagroom duurder is dan een ijsje zonder slagroom, geldt dat kennelijk niet voor een verzekering met overlijdensdekking of een verzekering zonder.

Het gaat om de motie 36 067, nr. 160.Daarin verzoekt de Kamer de regering te onderzoeken of en hoe een restitutiemogelijkheid in het nabestaandenpensioen ingevoerd kan worden. De restitutiemogelijkheid houdt in dat bij overlijden vóór de pensioendatum een uitkering volgt ter grootte van de som van de tot dat moment betaalde premies. Argument hiervoor is volgens de indieners dat er na de inwerkingtreding van de WTP nog slechts sprake is van een partnerpensioen op risicobasis. Kenmerk daarvan is dat het overlijdensrisico ten behoeve van een partnerpensioen alleen is gedekt zo lang de werknemer actief deelnemer is in de pensioenregeling. Wordt hij gewezen deelnemer omdat hij een andere baan krijgt, dan stopt de risicodekking voor het partnerpensioen. De indieners constateren dat het hierdoor kan voorkomen dat deelnemers jarenlang premie hebben afgedragen, maar onverzekerd overlijden, waardoor er geen recht is op nabestaandenpensioen.

Deze constatering is even juist als logisch. Het kenmerk van elke risicoverzekering (en dus ook van een verzekering van partnerpensioen op risicobasis) is dat je de premie ‘kwijt’ bent als het verzekerde risico zich niet gedurende de verzekeringsperiode voordoet. Dat geldt voor mijn brandverzekering (als mijn huis niet afbrandt in enig jaar krijg ik niets uitgekeerd en moet ik het volgende jaar wel weer premie betalen), als voor mijn autoverzekering (rijd ik geen schade, krijg ik niets en moet ik toch weer een jaarpremie betalen), als voor mijn overlijdensrisicoverzekering naast mijn hypotheek.  Die keert alleen uit als ik voor de overeengekomen einddatum van de verzekering dood ga. Ga ik (heel kort) daarna dood, dan krijgen mijn nabestaanden niets. Ondanks het feit dat ik jarenlang premies afdroeg.
Het omgekeerde is ook waar. In de WTP kennen we straks alleen nog pensioenopbouw voor het ouderdomspensioen en voor het partnerpensioen ná pensioendatum. Verzekeringstechnisch is sprake van een kapitaal bij leven. Dat wil zeggen dat het alleen uitkeert als ik op mijn pensioeningangsdatum in leven ben. Ga ik voordien dood, dan keert de verzekering niet uit. Mijn nabestaanden krijgen in dat geval een uitkering uit hoofde van het nabestaandenpensioen op risicobasis.
Bij een verzekering met alleen een kapitaal bij leven is er dus een kans dat de verzekeraar niet hoeft uit te keren. Namelijk als de verzekerde dood gaat voor de pensioendatum. Dit is de zogenoemde ‘sterftewinst’ voor de verzekeraar. Maar met de kans dat de verzekeraar sterftewinst maakt, houdt deze rekening bij het vaststellen van de voor de verzekering verschuldigde premie. Die is lager dan voor een verzekering waarin wel een uitkering bij overlijden is verzekerd. Net zoals een ijsje met slagroom duurder is dan een ijsje zonder slagroom. De kans dat de verzekeraar bij de verzekering  van alleen  een kapitaal bij leven niet hoeft uit te keren, zit verdisconteert in de premie via de zogenoemde negatieve risicopremie. Dat betekent dat je ofwel voor dezelfde premie een hoger kapitaal kunt verzekeren, ofwel dat je voor hetzelfde kapitaal een lagere premie betaalt dan voor een verzekering met overlijdensdekking. De denkfout die de Kamerleden maken, is dat zij de premierestitutie niet zien als een uitkering ten gevolge van overlijden, wat het natuurlijk wel is. Een verzekering met premierestitutie (het ijsje met slagroom) is dan ook duurder dan een verzekering bij leven (het ijsje zonder slagroom).  Op zich is er niks op tegen om een restitutiedekking in een pensioenverzekering op te nemen. Ik ben er niet voor omdat dat de suggestie kan wekken bij deelnemers dat sprake is van een partnerpensioen. Een deelnemer die na twee jaar dood gaat, laat echter een partner achter die met die twee premies een verre van adequaat partnerpensioen kan aankopen. Daarom vind ik het nu voorgestelde systeem, opbouw van een kapitaal bij leven uit de beschikbare premies en dekking voor het partnerpensioen voor pensioendatum vanuit een risicoverzekering veel beter. Maar, nogmaals een restitutiedekking kan op zich. Maar vertel er dan wel eerlijk bij dat dit, ofwel ten koste gaat van het rendement, ofwel extra premie kost. Gratis slagroom bestaat niet, gratis overlijdensdekking ook niet.

23122022