AUW!
Advies Raad van State bij amendement Joseph doet even pijn, maar er is een voor iedereen aanvaardbare oplossing
Leestijd 5,5 minuut
Onlangs publiceerde de Raad van State het advies over het amendement van NSC Tweede Kamerlid Agnes Joseph inzake een invaarreferendum. Het advies liegt er niet om! ‘Het amendement brengt de voorgeschreven evenwichtige belangenafweging in het pensioenfonds in gevaar’; ‘De mede ingevolge internationale verdragen geldende rol van sociale partners is daarbij miskent’; ‘Er is sprake van een onvoldragen voorstel’; ‘De vormgeving van het voorstel als amendement bij een ander niet gerelateerd wetsvoorstel doet afbreuk aan de kwaliteit van de besluitvorming over zowel dat voorstel als over het amendement’. De Raad van State concludeert dan ook dat over het amendement niet positief kan worden geadviseerd en heeft ernstige bezwaren tegen het amendement. Het advies aan de regering is het amendement te ontraden. Dat doet even pijn. Te meer omdat de achterliggende motieven van Agnes Joseph alleszins nobel zijn. Meer handelingsperspectief voor deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden. Of zoals zij het in NRC van 18 maart 2025 formuleerde: “mensen moeten zelf het recht hebben te beslissen over hun eigen opgebouwde pensioen” Ik stel echter vast dat het advies van de RvS en dit streven van NSC onverenigbaar lijken te zijn. In dergelijke situaties kun je twee dingen doen. Halsstarrig vasthouden aan je eigen gelijk en (waarschijnlijk tevergeefs) blijven proberen de anderen daarvan te overtuigen, of zoeken naar een politieke, pragmatische en voor alle partijen aanvaardbare oplossing. En die is er in de vorm van een individueel recht voor iedereen om op de pensioendatum te kiezen voor een vaste of een variabele uitkering.
Eerlijk gezegd vind ik de bezwaren van de Raad van State wel heel wezenlijk. Belangrijkste is voor mij de strijd met de in de internationale verdragen binnen de International Labour Organization (ILO) vastgelegde onderhandelingsvrijheid om collectieve afspraken te maken voor en door sociale partners. De Wtp is de codificering van het door sociale partners en de overheid afgesloten pensioenakkoord. Het NSC-amendement wijzigt de in dit akkoord vastgelegde afspraken fundamenteel. Van ‘invaren, tenzij’ naar ‘niet invaren tenzij’. Naar mijn mening is dat in strijd met de ILO-verdragen, die het recht garanderen voor werkgevers en werknemers om zich te organiseren en om geheel vrij van iedere vorm van overheidsinvloed over collectieve arbeidsvoorwaarden te onderhandelen (voor de liefhebbers nr. 87 en nr. 98). Een overheid mag alleen in exceptionele gevallen ingrijpen in het resultaat van collectief onderhandelen en slechts voor een periode dat dit absoluut noodzakelijk is. In mijn optiek is het pensioenakkoord het resultaat van collectief onderhandelen en grijpt het amendement hierop in. Zie voor een uitgebreide behandeling van dit vraagstuk het artikel van mijn VU-collega Alwin Stege in Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken 2024/44; ‘Een collectieve afspraak tot invaren mag niet bij referendum opzij worden gezet’.
Daarnaast kan ik mij vinden in de conclusie van de RvS dat het de vraag is of een dergelijke complexe problematiek zich leent voor een simpele ja/nee vraag. Dat is overigens naar mijn menig bij elk referendum in welke vorm dan ook een cruciale kwestie. Nog afgezien van de vraag in welke mate de vereiste drempel van 30% wordt gehaald. De ervaring leert dat dit vrijwel nooit het geval zal zijn, zodat het amendement er hoogstwaarschijnlijk toe leidt dat de gehele markt en alle uitvoerders zowel een FTK-regeling als een Wtp-regeling moeten gaan uitvoeren. De deelnemers in de FTK-regeling vormen een gesloten groep die in de loop der jaren steeds ouder en steeds kleiner wordt. Hierdoor is sprake van een zeer gering en steeds kleiner wordend indexatiepotentieel en (dus) indexatieperspectief.
Het advies van de RvS is zodanig dat ik me eigenlijk niet kan voorstellen dat NSC, als voorvechter van goed bestuur en goede wetgeving, het amendement ongewijzigd handhaaft. Zo ken ik Agnes Joseph ook niet. Anderzijds heb ik ook begrip voor haar streven naar meer handelingsperspectief voor de deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden.
Om het onverenigbare toch te verenigen, is het zoeken naar een politieke, pragmatische en voor alle partijen aanvaardbare oplossing mijns inzien de enige begaanbare weg. Niet blijven hangen in de discussie wat er (juridisch) mis is met de Wtp en het amendement, maar kijken hoe we het principe van ‘invaren tenzij’ voor de fondsen kunnen behouden, terwijl er meer en beter handelingsperspectief ontstaat voor de deelnemers. Dat kan volgens mij door de huidige wetgeving niet te veranderen op het door NSC voorgestelde punt (dus geen referenda), maar een zodanige aanvulling op de huidige wet voor te stellen dat elke deelnemer of gewezen deelnemer op zijn pensioendatum de keuze krijgt tussen een vaste of een variabele uitkering. Dus ook bij de solidaire regeling. Op deze manier krijgen alle deelnemers en gewezen deelnemers het door NSC gewenste handelingsperspectief, zonder dat dit leidt tot de door de RvS gesignaleerde juridische en uitvoeringstechnische problemen. Een vaste uitkering kan, binnen het FTK desgewenst ook door pensioenfondsen worden uitgevoerd, zodat sprake blijft van collectiviteit en solidariteit. Dat dit dan gebeurt via een amendement op een, zoals de RvS het noemt, ‘niet gerelateerd wetsvoorstel’ neem ik daarbij dan voor lief. Over hoe ik over dat proces denk, schreef ik al eerder in mijn blog van 23 januari 2025, ‘In eigen voet”
Indien NSC zijn amendement handhaaft, leidt dit er naar mijn stellige overtuiging toe dat alle betrokken partijen elkaar gijzelen in een onoplosbaar proces. Dat leidt tot voortdurende onzekerheid, waarbij ik niet uitsluit dat als er een meerderheid in de Tweede Kamer mocht zijn, de Eerste Kamer alsnog het voorstel afwijst. En dat zijn we nog verder van huis omdat dan de datum van 1-1-2027 blijft staan, met alle uitvoeringsproblemen van dien.
20032025