In de overgang
Een bijdrage in de discussie over de onderlinge samenhang van artikel 220e en 220i PW

Leestijd; zeven minuten

Inleiding
De Wet toekomst pensioenen is wetstechnisch gereed. De Tweede en Eerste Kamer gingen met een ruime meerderheid akkoord en we weten met welke wetteksten we te maken hebben, nu en in de toekomst. Bij het vertalen van deze wetteksten naar concreet beleid lopen pensioenuitvoerders (en met name pensioenverzekeraars en PPI-en) aan tegen de nodige interpretatievraagstukken. De praktijk blijkt, zoals zo vaak, weerbarstig. Met name de vraag of een werkgever zijn bestaande regeling gefaseerd mag aanpassen aan de Wtp en hoe het overgangsrecht (artikel 220i PW) en de eerbiedigende werking (artikel 220e PW) zich tot elkaar verhouden, blijken voor meerdere interpretatie vatbaar. Een en ander is nog niet volledig uitgekristalliseerd en de discussie daarover is nog volop gaande. Ik pretendeer niet de wijsheid in dezen volledig in pacht te hebben en lever met dit blog graag een bijdrage aan de discussie. Zoals altijd doe ik dat op persoonlijke titel en representeert de inhoud van dit blog niet noodzakelijkerwijs (volledig) de opvattingen van a.s.r. of het Expertisecentrum Pensioenrecht van de VU. Het is nadrukkelijk een bijdrage aan de discussie. Al heb ik – en dat zal mijn trouwe lezers niet verbazen – er natuurlijk wel een mening over!

De vraag
De vraag die de markt verdeeld houdt is; mag een werkgever zijn op 30 juni 2023 bestaande pensioenregeling gefaseerd aanpassen aan de Wtp, door eerst het nabestaandenpensioen conform de Wtp aan te passen en vervolgens naderhand een leeftijdsonafhankelijke premie in te voeren, of moet hij beide aanpassingen gelijktijdig doorvoeren?

Als sprake mag zijn van een gefaseerde invoering, kunnen deelnemers die toetreden nádat de regeling is aangepast aan de Wtp voor wat betreft het nabestaandenpensioen, maar vóórdat de leeftijdsonafhankelijke premie is ingevoerd nog gebruik maken van de eerbiedigende werking (artikel 220e, lid 1, onderdeel b). Als een gefaseerde invoering niet mogelijk is, moet de regeling zodra deze wordt aangepast ter zake van het nabestaandenpensioen ook tegelijkertijd worden aangepast ter zake van de leeftijdsonafhankelijke premie en kunnen alleen de deelnemers die op dat moment deelnemer zijn gebruik maken van de eerbiedigende werking.

Naar mijn mening wordt in het spraakgebruik (ook door de wetgever) onvoldoende onderscheid gemaakt tussen enerzijds het overgangsrecht en anderzijds de eerbiedigende werking. Dat zijn echt heel verschillende begrippen. Het overgangsrecht (artikel 220i PW) regelt dat gedurende de overgangsperiode (maximaal tot vooralsnog 1 januari 2028) de bepalingen van de Pensioenwet zoals die luidde op 30 juni 2023 – een enkele uitzondering daargelaten – van kracht blijven. De eerbiedigende werking (artikel 220e PW) regelt dat na afloop van de overgangsperiode, als de Pensioenwet in beginsel dus onverkort van toepassing is, er een uitzondering is voor het voorschrift dat sprake moet zijn van een leeftijdsonafhankelijke premie. Voor onder de eerbiedigende werking vallende deelnemers is alleen artikel 17 PW niet van toepassing. De overige bepalingen van de PW wel.

Het antwoord

Voor zover ik kan nagaan, bevat de Wtp geen expliciete bepaling waaruit voortvloeit dat een gefaseerde invoering niet mogelijk is. Ook vind ik geen concrete aanwijzingen dat gefaseerde invoering niet strookt met de bedoeling van de wetgever. De MvT bij artikel 220i PW geeft slechts aan dat in de transitiefase na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel pensioenuitvoerders op verschillende tijdstippen de transitie kunnen afronden en overstappen op het nieuwe systeem. Deze formulering geeft geen uitsluitsel of deze verschillende tijdstippen ook op regelingsniveau toegepast kunnen worden.

De MvT geeft in het algemene deel over overgangsrecht aan dat partijen ervoor kunnen kiezen om eerder over te stappen op een nieuwe pensioenovereenkomst dan de uiterste datum van 1 januari 2028. Daarmee is echter niet per definitie gezegd dat overstappen op een nieuwe pensioenovereenkomst slechts op één tijdstip kan. De MvT geeft weliswaar aan dat vanaf het moment waarop de uitvoerder een na de inwerkingtreding van deze wet afgesproken pensioenregeling gaat uitvoeren, voor de nieuwe pensioenopbouw het nieuwe kader geldt. Maar ook dat brengt naar mijn mening niet per definitie met zich dat dan meteen het volledige nieuwe kader geldt en niet het nieuwe kader voor zover dat van toepassing is op de toegepaste wijziging.

Zoals gezegd, zie ik in de Wtp geen expliciete bepaling die voorschrijft dat aanpassing van (onderdelen van) een pensioenregeling aan de Wtp op één tijdstip moeten plaatsvinden. Sterker nog de systematiek en onderlinge samenhang van de artikelen 220i en 220e wijst er in mijn optiek juist naar dat dit wél kan. Er is contractsvrijheid in Nederland. Zo lang een werkgever niet in strijd handelt met de wet, de goede zeden of de openbare orde, mag hij met zijn werknemers elke pensioenovereenkomst afsluiten of (gedeeltelijk) wijzigen die hij wil (artikel 3.40 BW).

Artikel 220i
Artikel 220i bepaalt dat de Pensioenwet zoals die luidde op 30 juni 2023 van toepassing blijft tot het tijdstip dat de pensioenuitvoerder overgaat op de uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst, maar uiterlijk tot (vooralsnog) 1 januari 2028. Inmiddels is door de door SZW gegeven toelichting (zie mijn blog van 30 oktober 2023) duidelijk dat dit bekeken moet worden op regeling/contract niveau.

Als een werkgever zijn bestaande pensioenregeling aanpast door het nabestaandenpensioen conform de Wtp vorm te geven, is sprake van een situatie waarin de pensioenuitvoerder overgaat op de uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst. Daardoor eindigt dus het overgangsregime van artikel 220i en valt de pensioenregeling volledig onder het Wtp-regime, met uitzondering van de verplichting om een leeftijdsonafhankelijke premie als bedoeld in artikel 17 toe te passen voor bestaande deelnemers. Deze deelnemers kunnen gebruik maken van de eerbiedigende werking zoals opgenomen in artikel 220e.

Artikel 220e

Een bestaande deelnemer in een bestaande pensioenregeling mag gedurende zijn gehele opbouwperiode nog een progressieve premie hebben. Een bestaande pensioenregeling is een regeling waarin op 30 juni 2023 sprake was van een premieovereenkomst met een met de leeftijd oplopend premiepercentage of een uitkeringsovereenkomst met een met de leeftijd oplopend premiepercentage ondergebracht bij een verzekeraar. Een bestaande deelnemer is een deelnemer die pensioenaanspraken opbouwt op de dag voordat voor nieuwe deelnemers een premieovereenkomst geldt waarbij de premie conform artikel 17 voor alle deelnemers een gelijk percentage van het loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen bedraagt, doch uiterlijk op (vooralsnog) 31 december 2027 (lid 1, onderdeel b).

Conclusie

Artikel 220i en 220e sluiten elkaar wederzijds uit. Het is niet mogelijk dat een regeling gelijktijdig zowel onder het overgangsregime van artikel 220i, als onder de eerbiedigende werking van artikel 220e valt. Artikel 220e wordt pas van toepassing als het overgangsregime van artikel 220i niet meer van toepassing is. Dat is het geval zodra de pensioenuitvoerder een aan de Wtp aangepaste regeling gaat uitvoeren. Dan vervalt het overgangsregime van 220i en verhuist de regeling naar de eerbiedigende werking van 220e. Artikel 220e, lid 1, onderdeel b bepaalt dat de eerbiedigende werking van toepassing is voor deelnemers die pensioen opbouwen op de dag voordat een premieovereenkomst met een leeftijdsonafhankelijke premie voor nieuwe deelnemers gaat gelden.

Ik benadruk nogmaals dat artikel 220e alleen van toepassing kan zijn op pensioenregelingen die niet (meer) onder 220i vallen. Als een gefaseerde invoering van de Wtp niet mogelijk zou zijn, zou de werking van artikel 220i per definitie alleen beëindigd kunnen worden als de onder 220i vallende regeling (ook) wordt aangepast aan het voorschrift van artikel 17 PW (leeftijdsonafhankelijke premie). In dat geval is de bepaling zoals opgenomen in 220e, lid 1 onderdeel b een loze letter omdat er nooit een moment kan zijn dat een onder de eerbiedigende werking van artikel 220e vallende regeling voor nieuwe deelnemers overgaat op een leeftijdsonafhankelijke premie. Want dat moment is dan al geweest en is het laatste moment dat de regeling onder 220i valt en door deze aanpassing verhuist naar 220e.

Het is naar mijn mening dan ook mogelijk om tot uiterlijk (vooralsnog) 31 december 2027 nieuwe deelnemers te laten toetreden tot een regeling met progressieve premies die overigens voor het nabestaandenpensioen al is aangepast aan de Wtp. Maar, ik laat me graag overtuigen van het tegendeel.

En dit alles laat uiteraard onverlet dat elke pensioenuitvoerder het beleidsmatige uitgangspunt mag hanteren dat aanpassing aan de Wtp slechts op één moment geaccepteerd en verwerkt wordt. Ook dat is contractsvrijheid. Maar dat is dan de keuze van de desbetreffende pensioenuitvoerder en vloeit naar mijn oordeel niet rechtstreeks voort uit de PW.

11122023