RMU-voorstel, sympathiek, maar niet uitvoerbaar

RMU-voorstel, sympathiek maar niet uitvoerbaar.

Herman M. Kappelle[1]

Inleiding
Onderdeel van het eind 2013 afgesloten akkoord tussen de coalitiepartners en de “meest geliefde oppositiepartijen[2]” was het voorstel van de Reformatorische Maatschappelijke Unie om het werknemersdeel van hun pensioenpremie te gebruiken voor een extra aflossing van hun hypotheek. Het kabinet gaf aan dat het bereid was deze keuzemogelijkheid te bieden. Daartoe zal het kabinet verkennen hoe dit zorgvuldig ingepast kan worden op zo kort mogelijke termijn.[3]

Het voorstel van de RMU[4] oogt op het eerste gezicht sympathiek. Op het tweede gezicht blijken er echter nog al wat haken en ogen aan te zitten. Daardoor is het buitengewoon lastig en complex in de uitvoering.

Het RMU-voorstel
Al in 2011 kwam de RMU met het idee om de eigen bijdrage van de werknemer op diens verzoek te kunnen gebruiken voor het aflossen van zijn hypothecaire schuld. Het werkgeversdeel moet in de optiek van de RMU in ieder geval bestemd blijven voor pensioen.

De kernelementen van het RMU-voorstel zijn de volgende:

-              Alle pensioenuitvoerders moeten wettelijk verplicht aan alle actieve deelnemers de keuze bieden om de werknemersbijdrage in de voor hen verschuldigde pensioenpremie te gebruiken voor extra aflossing (dus bovenop de contractueel overeengekomen aflossing) van hun eigen woningschuld en/of voor de aflossing van hun restschuld.

-              De werkgever betaalt bij een keuze voor aflossing het werknemers gedeelte van de premie rechtstreeks aan de geldverstrekker onder inhouding van loonheffing en premies. Inmiddels is ook de variant dat de pensioenuitvoerder rechtstreeks aan de geldverstrekker betaalt in beeld.

-              De lagere pensioenpremie werkt door voor alle pensioensoorten. Dus zowel het ouderdomspensioen, als het nabestaandenpensioen en het arbeidsongeschiktheidspensioen. Wat dat betreft, is het vergelijkbaar met het toepassen van een deeltijdfactor van twee derde. Met dat verschil dat de franchise niet verandert.

-              De extra aflossing leidt niet tot een verlaging van de contractueel overeengekomen aflossingsverplichting.

-              De extra aflossing valt bij verkoop van de woning vrij aan de werknemer. Dit leidt tot een hogere eigenwoningreserve.

-              Werkgevers moeten in hun loonadministratie een voorziening treffen voor de keuzemogelijkheid en voor de rechtstreekse betalingen aan de geldverstrekkers.

Kanttekeningen bij het voorstel

Het RMU voorstel brengt mij tot de volgende kanttekeningen.

1.       Niet elke pensioenregeling kent een eigen bijdrage van de werknemers. En niet elke eigen bijdrage van de werknemers is even groot. Inmiddels ligt een grove, maar werkbare, benadering op tafel door de eigen bijdrage forfaitair op een derde van de premie te stellen. Hierdoor ontstaat echter in de administratie wel een verschil tussen de werkelijke en de forfaitaire situatie.

2.       Indien de pensioenuitvoerder rechtstreeks aan de geldverstrekker betaalt, levert dit extra uitvoeringskosten op en gaat dus ten koste van het rendement voor de deelnemer. De werknemer zal de werkgever moeten machtigen om deze betalingen te doen. Ik neem althans aan dat het niet de bedoeling is om artikel 7:631 BW op dit punt te wijzigen.

3.       De eigen bijdrage die een werkgever inhoudt op het loon van de werknemer en afdraagt aan de pensioenuitvoerder behoort niet tot het belastbare loon van de werknemer.[5] De eigen bijdrage aan de pensioenregeling is vrijgesteld loon. De eigen bijdrage die de werknemer gebruikt om zijn hypotheek af te lossen, is geen vrijgesteld loon. Aflossingen van de hypotheek gaan immers vanuit het netto inkomen. Het fiscale verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18 Wet IB 2001 gaat dus omhoog. Dit kan invloed hebben op allerlei inkomensafhankelijke regelingen en toeslagen.

4.       Veel pensioenregelingen in Nederland kennen een doorsneepremie. Dat wil zeggen dat voor elke deelnemer, ongeacht zijn leeftijd,  hetzelfde percentage van zijn pensioengrondslag als pensioenpremie geldt. Daardoor betalen jongeren relatief te veel en ouderen relatief te weinig van de met de doorsneepremie gefinancierde pensioenaanspraken. Volgens het CPB[6] ligt het omslagpunt bij een leeftijd van 45 jaar. Voor een jongere is het dus relatief voordelig om een derde van zijn premie te gebruiken om extra af te lossen en voor een oudere relatief onvoordelig. Jongere zullen dus eerder geneigd zijn om te gaan aflossen dan ouderen. Hierdoor komt het systeem van de doorsneepremie (verder) onder druk te staan.

5.       Het onder 4 gesignaleerde probleem kan worden opgelost door in plaats van de doorsneepremie uit te gaan van de actuariële premie. Dan is het voor jongeren en ouderen even (on)voordelig om de eigen bijdrage te gebruiken als extra aflossing. Maar dan doemt er een nieuw probleem op. De actuariële premie voor een jongere is lager dan voor een oudere die overigens in dezelfde omstandigheden verkeert. Dat levert geen verboden onderscheid naar leeftijd op als het met de verschillende premies gefinancierde pensioenresultaat op de pensioendatum hetzelfde is.[7] Maar, aflossen vanuit de eigen bijdrage gebeurt, zoals onder 2 aangegeven, vanuit het netto loon. De actuariële premie is leeftijdsafhankelijk. Vertaling daarvan naar een netto looncomponent levert dus een verschil in beloning op tussen ouderen en jongeren dat niet onder de uitzondering voor pensioenpremies valt. En dat staat de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid niet toe, tenzij er sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond. En die zie ik hier zo één, twee, drie niet. Welk legitiem doelt dient dit dat niet ook kan worden bereikt met andere maatregelen die geen of minder ongelijke behandeling tot gevolg hebben?

6.       Een soortgelijk probleem geldt voor mannen en vrouwen. Bij een uitkeringsovereenkomst mogen de premies voor mannen en vrouwen verschillen, mits de daarmee gefinancierde pensioenaanspraken voor beide seksen gelijk zijn. Als we de voor mannen en vrouwen verschillende premie  vertalen naar een netto looncomponent, maken we onderscheid op grond van geslacht. En ook dat mag niet.

7.       De werknemer krijgt de keuze of hij zijn eigen bijdrage wil gebruiken voor het aflossen van zijn hypotheek, of voor de opbouw van pensioen. Elk systeem dat een keuze biedt, bergt selectierisico’s in zich. Mensen kiezen nu eenmaal wat het voordeligste voor ze is. Een ongezonde deelnemer die een individuele levensverwachting heeft die lager is dan de gemiddelde levensverwachting zal zijn premie liever gebruiken om zijn individuele hypotheekschuld te verminderen dan zijn sterftewinst ten goede te laten komen aan het collectief. Omgekeerd zal de zeer gezonde deelnemer die denkt langer te leven dan gemiddeld zijn volledige premie in zijn pensioenopbouw stoppen. Het collectief draagt immers het langlevenrisico.
Een soortgelijk effect zien we bij de dekkingsgraad. Als een fonds een slechte dekkingsgraad heeft en de kans op afstempelen dus reëel aanwezig is, kiezen de deelnemers met een hypotheek er voor om hun eigen bijdrage te gebruiken om af te lossen. Dat gedeelte valt dan in ieder geval niet onder de afstempeling. Deelnemers die geen hypotheek hebben, zien hun volledige aanspraak verminderen als het fonds gaat afstempelen.

8.       En tenslotte is met dit plan sprake van een ongelijke behandeling van eigen woning bezitters en huurders. Nu is dat wel op meer vlakken het geval, maar wat rechtvaardigt een uitbreiding hiervan?

Conclusie

Het plan van de RMU kent nog al wat praktische bezwaren. Het is moeilijk toepasbaar bij regelingen die een doorsneepremie kennen. Indien we uitgaan van een actuariële premie lopen we tegen gelijke behandelingsproblemen aan. Het transformeren van een vrijgestelde bruto looncomponent in een  netto looncomponent als aflossing, kan allerlei effecten hebben op inkomens afhankelijke regelingen en toeslagen.

En tenslotte; waar hebben we het over?
De gemiddelde pensioenpremie in Nederland bedraagt 17,6%. Een derde deel daarvan is 5,8%. Het gemiddelde inkomen in Nederland is ongeveer € 34.600. De gemiddelde bruto eigen bijdrage is dus  ruim € 2.000. De gemiddelde belastingdruk bedraagt 38%, dus jaarlijks is er netto ongeveer €  1.250 beschikbaar aan extra aflossing. Uitgaande van een – op basis van de huidige situatie ruim berekende – gemiddelde hypotheekrente van 4%, levert dit de huizenbezitter een jaarlijkse besparing op van € 50 bruto. Uitgaande van een gemiddeld inkomen van € 34.600, bedraagt de gemiddelde pensioengrondslag ongeveer € 21.600. Bij een opbouwpercentage van 0,1875 levert dit een pensioenopbouw op van per jaar € 405. Door extra af te lossen met een derde van de premie, daalt dit tot € 270. Een jaarlijkse besparing van bruto € 50 aan hypotheekrente kost dus vanaf pensioendatum bruto €  135 aan pensioen per jaar. In hoeverre dat voor- of nadelig is, hangt natuurlijk in hoge mate af van de leeftijd waarop je begint met extra aflossen. Hoe jonger, hoe langer je profiteert van de lagere hypotheekrente. Maar het relativeert het nuttig effect van dit – op het eerste gezicht zo sympathieke – plan wel enigszins.
Mijns inziens weegt dit nuttige effect  dan ook niet op tegen de in dit artikel beschreven juridische, technische en praktische bezwaren die de uitvoering complex – en dus duur – maken.

 



[1] Prof. mr. H.M. Kappelle is bijzonder hoogleraar Fiscaal Pensioenrecht aan de VU Amsterdam en directeur Aegon Adfis.

[2]D66, ChristenUnie en SGP.

[3] Brief van de staatssecretarissen van Financiën en SZW 18 december 2013, AFP/2013/865U, blz. 8 en 9.

[4] RMU Arbeidsvoorwaardennota 2014.

[5] Artikel 11, eerste lid, onderdeel j, ten eerste Wet op de loonbelasting 1964.

[6] Eindrapportage Voor- en nadelen van de doorsneesystematiek, CPB Notitie 28 oktober 2013.

[7] Artikel 8, lid 3, Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid.