Brief verschil bepaald en onbepaald elders verzekerd deel biedt niet de door Mart van de Ven gevraagde duidelijkheid

Brief verschil bepaald en onbepaald elders verzekerd deel biedt niet de door Mart van de Ven gevraagde duidelijkheid 

VVD-senator Mart van de Ven vroeg de staatssecretaris van Financiën eind vorig jaar om middels een heldere brief duidelijkheid te verschaffen over het verschil (in behandeling) tussen een bepaald en een onbepaald verzekerd deel van het pensioen van een directeur-grootaandeelhouder. In mijn blog van 19 december concludeerde ik dat de parlementaire behandeling daarmee afgesloten was, maar de discussie nog niet. Ik wist toen nog niet dat er door de novelle nog een herkansing zou komen. Op 10 februari 2017 stuurde de staatssecretaris de toegezegde brief aan de Eerste Kamer. Ik constateer dat de staatssecretaris er niet in slaagt de door Van de Ven gevraagde helderheid en duidelijkheid te verschaffen. Hij geeft wel het verschil tussen een bepaald en een onbepaald deel aan, maar herhaalt daarbij eerder ingenomen standpunten en gaat niet in op de vragen die nog open liggen.

 In zijn brief maakt de staatssecretaris - mijns inziens ten onrechte - geen onderscheid tussen de situaties waarin;
        ·         de pensioenopbouw na inwerkingtreding van de wet wordt voortgezet;
        ·         de pensioenopbouw na inwerkingtreding van de wet wordt stopgezet, maar de premiebetaling op het elders verzekerde deel wordt voortgezet;
        ·         de pensioenopbouw na inwerkingtreding van de wet wordt stopgezet en het elders verzekerde deel premievrij wordt gemaakt. 

Van belang – en opvallend – hierbij is dat de staatssecretaris in zijn brief stelt dat bij een onbepaald verzekerd deel aanpassing van de verzekeringsovereenkomst met de professionele verzekeraar niet nodig is. Maar, zo gaat hij verder; “Wel moet de pensioentoezegging van de bv aan de dga zodanig worden aangepast dat de dga alleen nog verder pensioen opbouwt bij de professionele verzekeraar en niet meer bij het eigen beheer lichaam”. In de hiervoor bij het tweede en derde bolletje beschreven situatie, is nu juist geen sprake meer van verdere pensioenopbouw. Het opbouwen van pensioenaanspraken is stopgezet. Er is dus geen sprake van verdere opbouw bij de professionele verzekeraar! Dat zou betekenen dat de brief van de staatssecretaris alleen ziet op de bij het eerste bolletje beschreven situatie, waarin wél sprake is van voortgezette pensioenopbouw. Maar ik vraag me af of dat daadwerkelijke de bedoeling is van de staatssecretaris.

In dat geval is sprake van pensioenopbouw die alleen mag plaatsvinden bij een toegelaten verzekeraar. Het eigen beheer lichaam is dat niet meer. In die situatie zijn er twee mogelijkheden. Ofwel de pensioenovereenkomst wordt gewijzigd, zodat voor de toekomst geen sprake meer is van een uitkeringsovereenkomst (eindloon- of middelloon) maar van een kapitaal- of premieovereenkomst. Ofwel de verzekeringsovereenkomst wordt aangepast zodat sprake is van een voor de toekomstige opbouw volledig verzekerde uitkeringsovereenkomst. Voor deze situatie kan ik de staatssecretaris volgen. 

In de tweede en de derde situatie is sprake van premievrije pensioenaanspraken, die nog steeds gedeeltelijk in eigen beheer gehouden worden en gedeeltelijk zijn ondergebracht bij een verzekeraar. De pensioenovereenkomst wijzigt hierdoor niet en er is nog steeds sprake van een eindloon- of middelloonregeling zoals bedoeld door de Belastingdienst in zijn brief van 16 april 2004. Er is geen sprake meer van voortgezette pensioenopbouw. Het enige effect dat de in de tweede situatie voortgezette premiebetaling heeft, is dat de voorziening op de balans van het eigen beheer lichaam jaarlijks afneemt met het bedrag waarmee het elders verzekerde kapitaal toeneemt door de premiebetaling. In mijn optiek is, zolang de voorziening op de balans van het eigen beheer lichaam niet nul is, nog steeds sprake van de situatie zoals bedoeld in de brief van de Belastingdienst van 16 april 2004. De premievrije aanspraken zijn in zijn geheel opgebouwd vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging en vallen dus in hun geheel onder de overgangsregeling op grond waarvan het eigen beheer lichaam een toegelaten verzekeraar is. Aanpassing van de pensioenovereenkomst (anders dan het staken van de opbouw) en de verzekeringsovereenkomst is naar mijn mening dan ook niet noodzakelijk. 

Ook in  de derde situatie is sprake van premievrije pensioenaanspraken en fluctueert de voorziening op de balans van het eigen beheer lichaam alleen aan de hand van de wijzigingen in het premievrije verzekerde kapitaal bij de verzekeraar (bijvoorbeeld op grond van koersschommelingen). Ook deze premievrije aanspraken zijn in zijn geheel opgebouwd vóór de inwerkingtreding van de wetswijziging en vallen dus in hun geheel onder de overgangsregeling op grond waarvan het eigen beheer lichaam een toegelaten verzekeraar is. Aanpassing van de pensioenovereenkomst (anders dan het staken van de opbouw) en de verzekeringsovereenkomst (anders dan het premievrij maken) is naar mijn mening ook hier niet noodzakelijk.

In de tweede en de derde situatie kan het verzekerde kapitaal naar mijn mening, ook na de inwerkingtreding van de wet en na afloop van de coulance periode, nog worden overgeheveld van de verzekeraar naar het eigen beheer lichaam. De door de staatssecretaris in zijn brief ingenomen stelling dat; “de inhoud van de pensioenregeling zodanig moet worden aangepast dat geen overgang van de elders verzekerde pensioenaanspraken naar een eigen beheer lichaam kan plaatsvinden na het verlopen van de coulancetermijn” mist elke wettelijke basis. Het eigen beheer lichaam is immers nog steeds een toegelaten verzekeraar voor de pensioenaanspraken die zijn opgebouwd tot de inwerkingtreding van de wet en er is geen sprake van een verboden handeling als bedoeld in artikel 19b, tweede lid Wet LB 1964. Er is namelijk geen sprake van het overgaan van een verplichting ingevolge een pensioenregeling, want die verplichting zit al volledig bij het eigen beheer lichaam. Zie ook de brief van de Belastingdienst van 16 april 2004 en mijn blog van 21 november 2016. Er is sprake van de overgang van de verplichtingen die de verzekeraar heeft uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst en niet van verplichtingen uit hoofde van de pensioenregeling die de werkgever heeft getroffen. Want die verplichting heeft de verzekeraar niet bij een onbepaald verzekerd deel. 

Het zou mijns inziens goed zijn als de staatssecretaris nog eens heel specifiek en concreet ingaat op deze drie situaties. Die zijn zodanig verschillend dat je ze niet over één kam kan scheren. Zijn standpunt in de brief van 10 februari 2017 wordt in mijn optiek niet gedragen door de wettekst. Dit zorgt voor onzekerheid in de markt en dat is zeer onwenselijk. Het gaat mij er niet eens zo zeer om welke kant het opgaat. Al heb ik natuurlijk sterke voorkeur voor mijn uitleg. Maar belangrijker is dat er geen onduidelijkheid is. Als de staatssecretaris wil bereiken wat hij schrijft in de brief van 10 februari 2017 dan kan hij dat klip en klaar in de wet opnemen. Als Tweede en Eerste Kamer daarmee akkoord gaan, is het zoals het is. Of de staatssecretaris geeft duidelijk en zonder voorbehoud aan dat het onbepaald verzekerde deel ook naderhand nog kan worden overgeheveld naar een eigen beheer lichaam voor zover het gaat om bestaande pensioenaanspraken. Dan is er in ieder geval geen ruimte meer voor discussie. Op basis van de tot nu toe wollige en soms tegenstrijdige standpunten van de staatssecretaris, is dat er nu wel. 

 

13022017