Onbepaald verzekerd deel; parlementaire behandeling gesloten, discussie niet

Onbepaald verzekerd deel; parlementaire behandeling gesloten, discussie niet.

In mijn laatste blog stelde ik dat je een verplichting die je niet hebt, niet kunt overdragen. Dit naar aanleiding van de discussie in de Tweede Kamer over het zogenoemde onbepaald elders verzekerde deel van het pensioen van een directeur-grootaandeelhouder. Ik eindigde mijn blog met de verzuchting “gelukkig hebben we nog een Eerste Kamer”. Met name VVD-senator Van de Ven nam deze handschoen op en legde de staatssecretaris het vuur aan de schenen. Van de Ven verwijst in zijn inbreng naar de brief van de staatsecretaris aan de Tweede Kamer van 10 november 2016 waarin deze aangeeft dat bij een extern verzekerd onbepaald deel de DGA voor zijn pensioentoezegging alleen het eigen beheer lichaam kan aanspreken. Hij vraagt of de conclusie juist is dat hieruit volgt dat de verplichting inzake de pensioenregeling dus volledig bij dit eigen beheer lichaam zit. Dit is van belang omdat de staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat overdracht van een extern verzekerd onbepaald deel naar het eigen beheer lichaam na 1 april 2017 niet meer mogelijk is, omdat het eigen beheer lichaam geen toegelaten verzekeraar meer is. Artikel 19b, tweede lid Wet LB 1964 verbindt fiscale sancties aan de situatie waarin de verplichting ingevolge een pensioenregeling wordt overgedragen aan een niet toegelaten verzekeraar. Vraag is of dat het geval is, als die verplichting al volledig bij het eigen beheer lichaam zit.

De staatssecretaris stelt in de MvA dat in de situatie waarin sprake is van een onbepaald elders verzekerd deel waarbij de DGA de begunstigde is, deze DGA de verzekeraar rechtstreeks kan aanspreken op het nakomen van de verplichting. Volgens hem is in dat geval voor het extern verzekerde deel sprake van een pensioenovereenkomst tussen de DGA en de verzekeringsmaatschappij. Dat is een bijzondere stellingname. Ten eerste omdat een pensioenovereenkomst in artikel 1 van de Pensioenwet is gedefinieerd als “hetgeen tussen een werkgever en een werknemer is overeengekomen betreffende pensioen” zodat een verzekeringsmaatschappij per definitie geen partij kan zijn bij een pensioenovereenkomst. En ten tweede omdat de Belastingdienst in 2004 aangaf dat in die situatie sprake is van aanvullend eigen beheer en de totale pensioenregeling wordt beschouwd als een eindloon- of middelloonregeling. Een uitkeringsovereenkomst met andere woorden. En dus niet van een (gedeeltelijke) kapitaalovereenkomst. De Belastingdienst geeft in deze brief ook aan dat bij een bepaald elders verzekerd deel de werkgever alleen aangesproken kan worden voor het exact aangegeven niet elders verzekerde deel van het streefpensioen. Voor het bepaalde elders verzekerde gedeelte kan de werknemer zich volgens de Belastingdienst alleen richten tot de verzekeraar. Voor het onbepaalde verzekerde deel dus kennelijk niet. De staatssecretaris beaamt dit in zijn brief aan de Tweede Kamer van 10 november 2016, waarin hij zegt; “Ik ben het op zich met de heer Kappelle eens dat bij een extern verzekerd deel de DGA voor zijn pensioentoezegging alleen het eigen beheer lichaam kan aanspreken”. In de Nota naar aanleiding van het verslag maakt de staatssecretaris onderscheid tussen de BV van de DGA in zijn hoedanigheid als werkgever en in zijn hoedanigheid als pensioenuitvoerder. Opvallend is echter dat de staatssecretaris het in de brief van 10 november 216 heeft over “het eigen beheer lichaam” en niet over “de werkgever”. Als bijvoorbeeld sprake is van een aparte pensioen-BV (hetgeen heel gebruikelijk is) is deze pensioen-BV de pensioenuitvoerder (het eigen beheer lichaam), maar niet de werkgever. Dat is de werk-BV of houdstermaatschappij waarbij de DGA in dienst is. Het eigen beheer lichaam kan dus alleen worden aangesproken als uitvoerder van de uit de pensioenregeling voortvloeiende verplichting en niet als de toezegger van de pensioenaanspraken. Het door de staatssecretaris gemaakt onderscheid tussen werkgever en pensioenuitvoerder is in die situatie mijns inziens niet relevant.

In zijn reactie op de vragen van Van de Ven in de nota naar aanleiding van het verslag maakt de staatssecretaris wel een heel opvallende draai. Hij zegt nu “het eigen beheer lichaam heeft zich in zijn rol als verzekeraar met het betalen van de pensioenpremie voor de polis van de DGA (gedeeltelijk) bevrijd van de voor hem uit de pensioenregeling voortvloeiende verplichting. Voor dat deel van het opgebouwde pensioen kan de DGA dus alleen nog maar de professionele verzekeraar aanspreken en is er geen sprake meer van in eigen beheer verzekerd pensioen”.

Hierbij komt bij mij dan meteen de vraag op vraag; wat is dan nog het verschil tussen een bepaald extern verzekerd deel en een onbepaald extern verzekerd deel? In de brief uit 2004 beschrijft de belastingdienst nu juist het verschil zodanig dat bij een bepaald verzekerd deel de DGA zich voor dat deel alleen nog kan richten tot de verzekeraar en bij een onbepaald verzekerd deel niet. Bij een onbepaald verzekerd deel kan de DGA zich volgens de belastingdienst juist niet rechtstreeks richten tot de verzekeraar.  

Van de Ven vroeg tijdens de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer aan de staatssecretaris om met een heldere brief, uiterlijk 31 januari 2017, eventueel na overleg met het Verbond van Verzekeraars duidelijkheid te verschaffen over deze kwestie. Ik vraag me echter af waarom de staatssecretaris deze discussie laat voortduren. Waarom regelt hij het niet op de door hem gewenste wijze door niet voor meerdere uitleg vatbare bepalingen in de wet op te nemen? Dat voorkomt rechtsonzekerheid en mogelijk langdurige procedures. De staatssecretaris zegde de door Van de Ven gevraagde brief toe. De parlementaire behandeling is daarmee gesloten, de discussie niet. Wordt vervolgd.

 

19122016