Zelfde AOW-uitkering, zelfde pensioenresultaat en toch verschillende franchises?

Zelfde AOW-uitkering, zelfde pensioenresultaat en toch verschillende franchises?

In het verslag bij de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en overige fiscale pensioenmaatregelen stelde de VVD-fractie de vraag aan de orde waarom er voor eindloonregelingen en middelloonregelingen verschillende franchises gelden. De franchise is het gedeelte van het salaris dat bij pensioenopbouw in de tweede pijler niet-pensioengevend is, omdat de oudedagsvoorziening hierover al is gedekt in de eerste pijler via de AOW.

De Belastingdienst stelt zich sinds 2015 op het standpunt dat de franchise voor een eindloonregeling 100/66,8 van de AOW-uitkering voor een gehuwde zou moeten zijn. Voor een middelloonregeling is dat 100/75. Bij een eindloonregeling is het uiteindelijke pensioen gebaseerd op het laatste salaris. Bij een middelloonregeling is dat het gemiddelde salaris. Salarisverhogingen leiden bij een eindloonregeling  tot verhoging van de in het verleden opgebouwde pensioenaanspraken (de zogenoemde backservice). Bij een middelloonregeling leiden ze alleen tot hogere opbouw in de toekomst (de coming service). De fiscale criteria voor een eindloon- en een middelloonregeling verschillen. In een eindloonregeling mag de opbouw per dienstjaar maximaal 1,657% van de pensioengrondslag zijn. Bij een middelloonregeling is dit 1,875%. De pensioengrondslag is het salaris verminderd met de franchise.

Met name in de veelvuldig voorkomende pensioenregelingen waarbij het ouderdomspensioen op basis van een beschikbare premie- of een middelloonregeling wordt opgebouwd en het nabestaandenpensioen op basis van een eindloonregeling, compliceert de eis dat er twee verschillende franchises moeten  worden gebruikt de uitvoering aanzienlijk. De administraties van pensioenuitvoerders zijn hier niet op ingericht en het vergt aanzienlijke investeringen in de automatiseringssystemen om dit aan te passen. Teneinde de pensioenuitvoerders enige tijd te geven om deze aanpassingen te doen, keurde de staatssecretaris goed dat tot 1 januari 2018 in een regeling waarin sprake was van opbouw op basis van middelloon en eindloon naast elkaar, gewerkt mag worden met alleen de middelloon franchise. De VVD vroeg de staatssecretaris om structureel  maar één franchise in de wet op te nemen. De staatssecretaris antwoordde daarop dat het toestaan van het gebruik van de middelloonfranchise voor eindloonregelingen een verruiming van het fiscale kader voor eindloonregelingen betekent. Dat zou forse budgettaire effecten hebben en de regering ziet dan ook geen aanleiding voor een dergelijke aanpassing. Wel geeft hij aan dat hij voornemens is te onderzoeken of de tijdelijke regeling op grond waarvan tot 1 januari 2018 met een franchise gewerkt mag worden permanent gemaakt kan worden. Dat is winst en haalt de ergste kou uit de lucht. Daarover geen misverstand en daar ben ik blij mee. Ik tel wat dat betreft mijn zegeningen, maar toch plaats ik twee kanttekeningen.

Ten eerste vraag ik mij af waar die forse budgettaire effecten vandaan komen. Natuurlijk, de middelloonfranchise is lager dan de eindloonfranchise. Toepassing van de middelloonfranchise leidt dus tot een wat hogere pensioengrondslag dan de eindloonfranchise. Dit zorgt weer voor een wat ruimer fiscaal kader en (dus) hogere pensioenopbouw onder de omkeerregel. Dat heeft inderdaad een budgettair effect. Maar, uit cijfers van DNB uit 2015 en 2016 blijkt het aantal door pensioenfondsen uitgevoerde eindloonregelingen voor ouderdomspensioen in Nederland 41 bedraagt op een totaal van 382. Het aantal deelnemers daaraan is ongeveer 11.000 (0,2%  van het totaal aantal deelnemers) Voor rechtstreeks verzekerde regelingen gaat het om 1.960 regelingen met totaal 36.000 deelnemers . Deze verruiming van het fiscale kader speelt zich dus achter de komma af.

Maar, veel principiëler is de vraag of er wel een verschil in franchise zou moeten zijn. Iedereen krijgt, ongeacht de hoogte van zijn aanvullende pensioen, hetzelfde bedrag aan AOW. De opbouwpercentages per dienstjaar voor eindloon- en middelloonregelingen zijn zodanig bepaald dat zij bij een gemiddelde carrièreontwikkeling leiden tot eenzelfde pensioenresultaat op pensioeningangsdatum. Een gemiddelde carrièreontwikkeling leidt tot een salarisverloop op basis van de zogenoemde 3-2-1-0-formule. Dat wil zeggen 3% jaarlijkse loonstijging tot 35 jaar, 2% in de tien daaropvolgende jaren, 1% in de dan volgende jaren en daarna geen loonsverhoging meer. De werkgroep fiscale behandeling pensioenen (commissie Witteveen), die aan de wieg stond van het huidige fiscale regime voor pensioenen, schreef daarover in zijn rapport (Financiën Reeks 95-4 en Kamerstukken II, 1997-1998, 26 020, nr. 3, blz. 22): “In het algemeen zal een jaarlijkse opbouw met 2,25% (inmiddels 1,875%) tot een pensioen leiden dat vergelijkbaar is met een pensioen op basis van 2% (inmiddels 1,657%) eindloon”.

In artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 staan de fiscale maxima voor de jaarlijkse opbouw uit hoofde van een eindloonregeling, een middelloonregeling en een beschikbare premie regeling. Een op het eindloonstelsel gebaseerd ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar niet meer dan 1,657% van de pensioengrondslag (door de belastingwetgever pensioengevend loon genoemd). Voor een middelloonregeling bedraagt dit per dienstjaar niet meer dan 1,875% en een op een beschikbare premiestelsel gebaseerd ouderdomspensioen wordt tijdsevenredig opgebouwd en is gericht op een pensioen dat na 40 jaar opbouw niet meer bedraagt dan 75% van de gemiddelde pensioengrondslag tot dat tijdstip. Het is de bedoeling dat in alle drie de systemen bij een gemiddelde carrièreontwikkeling hetzelfde pensioenresultaat kan worden bereikt. Met andere woorden de pensioenopbouw op basis van een eindloonregeling met een opbouwpercentage van 1,657% per dienstjaar leidt na veertig jaar tot een ouderdomspensioen ter grootte van 66,28% van de laatste pensioengrondslag en dat is op pensioendatum gelijk aan 75% van de gemiddelde pensioengrondslag.

Kortom, zelfde AOW-uitkering, zelfde pensioenresultaat. Waarom dan toch verschillende franchises? De hoogte van de franchise bepalen we aan de hand van twee uitgangspunten. De eerste is dat mijn ouderdomspensioen 75% van mijn gemiddelde salaris verminderd met de franchise is. De tweede is dat mijn ouderdomspensioen plus de AOW-uitkering 75% van mijn gemiddelde salaris is.
In formulevorm:
Ouderdomspensioen
= 75% (salaris – franchise) è OP = 75% salaris – 75% franchise
Ouderdomspensioen
+ AOW = 75% salaris è OP = 75% salaris – AOW
75%
salaris
– 75% franchise= 75% salaris – AOW è 75% franchise = AOW è franchise = 100/75 AOW.

Zoals ik hiervoor aangaf, is het daarbij niet relevant of het een eindloon- of een middelloonregeling is, omdat het pensioenresultaat op pensioeningangsdatum in beide regelingen hetzelfde is; 66,28% van mijn laatste pensioengrondslag = 75% van mijn gemiddelde pensioengrondslag. Daarom pleit ik ervoor om de volstrekt  verouderde en  in de praktisch vrijwel niet meer toegepaste inbouwmethode waarop de wetgever zich nog baseert, te vervangen door de franchisemethode, die op basis van de hiervoor genoemde formules leidt tot een voor alle regelingen geldende franchise van 100/75 van de AOW-uitkering voor een gehuwde. Dan is het systeem (weer) logisch en consistent. Zelfde AOW-uitkering, zelfde pensioenresultaat en zelfde franchise.

 

05112016