Gedwongen winkelnering? De wereld op zijn kop!

Gedwongen winkelnering? De wereld op zijn kop!

Op 14 juni nam de Eerste Kamer het Wetsvoorstel Wet verbeterde premieregeling aan. Tijdens de behandeling stelde CDA-senator Ria Oomen samen met 50+afgevaardigde Martin van Rooijen de taakafbakening aan de orde. Volgens haar is daardoor sprake van gedwongen winkelnering bij verzekeraars. Wat mij betreft de wereld op zijn kop.

De taakafbakening tussen pensioenfondsen en pensioenverzekeraars is een zorgvuldig en broos evenwicht dat, volgens de toelichting op de Regeling Taakafbakening Pensioenfondsen uit 2000, er voor zorgt dat; “de pensioenfondsen weliswaar moeten kunnen inspelen op de behoefte bij werknemers aan meer keuzevrijheid en flexibiliteit, maar dat zij aan de andere kant de traditionele wezenskenmerken van pensioenfondsen, te weten collectiviteit en solidariteit, dienen te respecteren bij alle producten die zij aanbieden. Als deze kenmerken niet of in onvoldoende mate onderdeel uitmaken van de gevoerde producten, dan lijken er geen gronden meer aanwezig om de bijzondere positie van de pensioenfondsen te rechtvaardigen”. Deze bijzondere positie van de pensioenfondsen bestaat uit het feit dat op basis van de verplichtstelling werkgevers die in een branche opereren waarvoor een verplicht bedrijfstakpensioenfonds geldt hun werknemers moeten aanmelden bij de door dit fonds uitgevoerde pensioenregeling. Gedwongen winkelnering bij het desbetreffende pensioenfonds dus. 

De taakafbakening stelt als voorwaarde aan pensioenfondsen voor het uitvoeren van vrijwillige regelingen dat ofwel sprake is van een bijdrage van de werkgever in de financiering van ten minste 10%, ofwel dat de omzetting van het pensioenkapitaal in pensioenaanspraken of –rechten te zijner tijd plaatsvindt op basis van de voor de hele collectiviteit geldende voorwaarden met inbegrip van het toeslag- of indexeringsbeleid.

Aan deze laatste voorwaarde kan bij een variabele pensioenuitkering per definitie niet worden voldaan. De voorwaarden en grondslagen van de door het pensioenfonds uitgevoerde basisregeling zijn immers anders dan die voor de variabele pensioenuitkering. De werkgeversbijdrage van ten minste 10% is op zich niet onmogelijk, maar werkt – met name bij een netto pensioenregeling – wel belemmerend. 

Daarom klommen Oomen en Van Rooijen op de barricaden en dienden een motie in. De motie vroeg in eerste instantie “de regering voor 1 januari 2017 te realiseren dat ook alle pensioenfondsen hun deelnemers een variabele uitkering kunnen bieden in het geval van vrijwillige pensioenregelingen en de eis van een werkgeversbijdrage daarbij niet belemmerd werkt”.

In de tweede termijn van de behandeling in de Eerste Kamer op 24 mei 2016 stelde Oomen, nadat staatssecretaris Klijnsma de motie had ontraden; “dit betekent dus voor deze fondsen dat ze in een negatieve concurrentie van verzekeraars worden geplaatst”. Tijdens de derde termijn op 14 juni deed zij daar nog een schepje bovenop en sprak zij van een bijna gedwongen winkelnering bij verzekeraars.

Na het negatieve advies van de staatssecretaris pasten de indieners de motie aan. Zij vragen de regering nu “te onderzoeken op welke manier ook alle pensioenfondsen hun deelnemers een variabele uitkering kunnen bieden in het geval van vrijwillige pensioenregelingen waarbij het ontbreken van een werkgeversbijdrage niet belemmerd werkt en dit onderzoek tijdig af te ronden met de intentie de benodigde wijzigingen mee te kunnen nemen in de reeds aangekondigde veegwet”. De staatssecretaris liet daarop het oordeel aan de Kamer, die deze motie vervolgens aannam. 

Nu kan onderzoek natuurlijk nooit kwaad en wie ben ik om het oordeel van de Eerste Kamer ter discussie te stellen, maar de argumentatie van mevrouw Oomen komt mij wel heel bijzonder voor. Het is natuurlijk een volstrekte omkering van de feiten als zij zegt dat de taakafbakening de pensioenfondsen in een ongunstiger positie brengt ten opzichte van de verzekeraars. De verplichtstelling brengt fondsen juist in een gunstiger concurrentiepositie. Maar dat kun je billijken uit hoofde van de gewenste solidariteit. Daar hoort dan uiteraard wel de taakafbakening bij, zodat deze begunstiging niet verder gaat dan wat uit hoofde van deze gewenste solidariteit wenselijk en noodzakelijk is. Wat mij betreft zou voor het netto pensioen een uitzondering kunnen gelden. En verder moet het niet gaan. Want nog verder gaan, brengt het hiervoor genoemde broze evenwicht tussen collectiviteit en solidariteit enerzijds en marktwerking anderzijds in gevaar. En dat kan het einde van de verplichtstelling betekenen. Als dat is waar Oomen en Van Rooijen naar streven, mijn steun hebben ze. Maar laat ze dat dan voorstellen. Met de verplichtstelling op zich en zoals hij nu is geregeld, kan ik leven. Ook al leidt die tot gedwongen winkelnering bij pensioenfondsen ten opzichte van verzekeraars en niet andersom! Daarom hoort daar de taakafbakening bij zoals we die nu kennen. Alleen op dit punt schaven aan de taakafbakening is een stap in de verkeerde richting.

150616