PPI in uitkeringsfase theoretische mogelijkheid?

PPI in uitkeringsfase theoretische mogelijkheid?

In de marge van het Wetsvoorstel verbeterde premieregeling (v/h initiatiefwet Lodders Wet uitbetaling pensioen in pensioeneenheden) kwam de mogelijkheid aan de orde voor PPI-en om ook in de uitkeringsfase pensioenen te mogen uitvoeren. Die mogelijkheid lijkt er in theorie te zijn, maar is mijns inziens praktisch onuitvoerbaar voor de meeste PPI-en. Ik ben dan ook bang dat het bij de theoretische mogelijkheid blijft. In dit blog leg ik uit waarom.

PPI-en mogen geen beleggingsriscico en/of levens- en sterfterisico (de zogenoemde biometrische risico’s) lopen. Het wetsvoorstel voorziet erin dat deze risico’s verschuiven naar de pensioengerechtigde doordat de pensioenuitkeringen na pensioeningang worden aangepast aan de ontwikkeling van de levensverwachting, de behaalde sterfteresultaten en de behaalde beleggingsresultaten. Als de PPI deze risico’s niet loopt, kan hij dus ook in de uitkeringsfase dergelijke pensioenregelingen uitvoeren, was de redenering.

Tijdens de parlementaire behandeling van een van de voorlopers van het uiteindelijke wetsvoorstel, de Wet variabele pensioenuitkeringen, gaf de regering aan dat dit inderdaad kon, mits de PPI hierdoor geen biometrische risico’s ging lopen. Een aantal malen vroeg de Kamer op welk niveau dit beoordeeld moet worden. Op deelnemer niveau, op contract niveau, of op portefeuille niveau? Het antwoord van de regering was steevast dat een PPI de uitkering mag verzorgen mits hij daarmee geen biometrisch risico loopt. Maar dat is geen antwoord op de meermalen gestelde vraag. De uitkering mag dan wel variëren aan de hand van de ontwikkelingen van de levensverwachting  en de beleggingsresultaten, hij blijft levenslang. Zodra de feitelijke levensduur van de pensioengerechtigde afwijkt van zijn statistische verwachte levensduur en hij ouder wordt dan op basis van de statistiek verwacht mag worden, moet de pensioenuitvoerder dus meer uitkeren dan gedacht. En dat is een biometrisch risico. Op deelnemer niveau loopt de pensioenuitvoerder dit risico altijd. Op contract en portefeuille niveau geldt – zij het in mindere mate – hetzelfde. Zodra de feitelijke levens- en sterfteontwikkelingen in het contract of de portefeuille afwijken van de landelijke cijfers, loopt de pensioenuitvoerder een biometrisch risico.

Het CDA-Tweede Kamerlid Omtzigt legde de staatssecretaris van SZW tijdens de mondelinge behandeling het vuur aan de schenen en liet zich niet met een kluitje in het riet sturen. Hij stelde de volgende vraag; “We hebben nog een vraag over de PPI. Ik zal die proberen toe te lichten. Stel je voor dat de levensverwachting in Nederland met drie maanden toeneemt. Dat verdisconteer je in de systematiek van het wetsvoorstel door de pensioenuitkeringen te verlagen. Als je echter een PPI bent met een relatief wat gezonder of jonger bestand, kan het zo zijn dat in je eigen bestand de levensverwachting met vier maanden toeneemt. Die laatste maand komt dan voor rekening van de PPI. Als de PPI geluk heeft neemt de levensverwachting met twee maanden toe. De essentie is dat de PPI dus een uitkomst heeft die afwijkt van de gemiddelde levensverwachting. Dat is een biometrisch risico. Nu is het wettelijk verboden dat een PPI een biometrisch risico loopt. Hoe kan een PPI dan iets uitvoeren waar inherent een biometrisch risico in zit? De uitkomst is namelijk nooit precies de gemiddelde levensverwachting, in welke kring dan ook.”

De staatssecretaris antwoordde; “De levensverwachting van deelnemers bij een PPI kan vanzelfsprekend afwijken van het gemiddelde, net als bij fondsen en verzekeraars. De specifieke levensverwachting bij de uitvoerder wordt in de hoogte van het pensioen verdisconteerd. Als de ontwikkeling van de levensverwachting bij een PPI afwijkt van het gemiddelde wordt niet de gemiddelde levensverwachting van alle Nederlanders doorberekend in het pensioen, maar het sterfteresultaat van de deelnemerskring van de PPI. Dit is de kern: de PPI verzekert dus niet het langlevenrisico, maar de deelnemers van de PPI delen dit risico collectief.”

Omtzigt was hierdoor niet overtuigd en wees erop dat de PPI ook in de redenering van de staatssecretaris toch een biometrisch risico loopt  aan het eind van de looptijd, wanneer de laatste verzekerde ten opzichte van de verwachte sterfdatum te vroeg of te laat doodgaat. De staatssecretaris gaf aan hier in derde termijn op terug te komen. Ook daarin kwamen Omtzigt en de staatssecretaris er niet uit en kondigde de staatssecretaris aan “hier nog even goed in te gaan spitten”. Het resultaat van dit graafwerk was een brief van 10 maart 2016. De staatssecretaris zegt daarin dat indien de deelnemers het langlevenrisico collectief delen, dit niet ten laste van de pensioenuitvoerder komt. Daarbij is het volgens haar van belang dat pensioenuitvoerders voor de macro levensverwachting prognoses hanteren voor de populatie van de betreffende solidariteitskring. En in deze  laatste zin zit het venijn dat de praktische toepassing vrijwel onmogelijk maakt.

Als het bestand voldoende groot is en de PPI de levensverwachting bepaalt op basis van de feitelijke samenstelling van zijn portefeuille is de kans op een verschil tussen de verwachte levens- en sterfteresultaten en de feitelijke resultaten inderdaad beperkt. Het is niet weg, maar wellicht zo klein dat het aanvaardbaar is.  Maar zo werkt het (nog) niet in de praktijk. Verzekeraars baseren hun tarieven en uitkeringen op de door het CBS of het Actuarieel Genootschap opgestelde gemiddelde levensverwachting in Nederland. Het bestand van een individuele pensioenuitvoerder wijkt daar per definitie vanaf. Omtzigt gaf dat met zijn voorbeeld goed aan. Om geen biometrisch risico te lopen, moet een PPI dus jaarlijks de levensverwachting van zijn eigen bestand bepalen en de pensioenuitkeringen daarop aanpassen. Dat zie ik nog niet zo een, twee drie gebeuren. Daarom zou de mogelijkheid die de Wet verbeterde premieregeling de PPI biedt om ook in de uitkeringsfase pensioenregelingen uit te voeren best eens een theoretische kunnen blijken te zijn die in de praktijk geen soelaas biedt. Het laatste woord hierover is overigens aan DNB die erop toeziet dat pensioenuitvoerders zich aan de Pensioenwet houden.  Ik ben benieuwd!

 

170316