Wetsvoorstel Variabele pensioenuitkering laat nog wat punten liggen.

Wetsvoorstel Variabele pensioenuitkering laat nog wat punten liggen.

Staatsecretaris Klijnsma diende onlangs het wetsvoorstel Wet variabele pensioenuitkering in bij de Tweede Kamer. Daaraan voorafgaand was er deze zomer een zogenoemde internetconsultatie op basis van het concept wetsvoorstel. Het nu ingediende wetsvoorstel komt op diverse punten tegemoet aan de wensen en opmerkingen die partijen maakten in hun reactie op het consultatiedocument. Zo is de voorwaarde geschrapt dat de pensioenovereenkomst moet voorzien in de mogelijkheid om een pensioenkapitaal om te zetten in een variabele uitkering. Daardoor kunnen nu ook deelnemers met een bestaande pensioenovereenkomst die deze mogelijkheid niet bevat, kiezen voor een variabele uitkering. Ook breidde de staatssecretaris het recht om van pensioenuitvoerder te wisselen (het zogenoemde ‘shoprecht’) uit. In het concept wetsvoorstel kon een deelnemer van een pensioenfonds dat variabele uitkeringen aanbiedt overstappen naar een pensioenfonds dat vaste uitkeringen aanbiedt. De route andersom, van vast naar variabel, was in het concept niet geregeld. In het nu ingediende wetsvoorstel krijgen deelnemers bij pensioenfondsen hetzelfde shoprecht als deelnemers in een door een pensioenverzekeraar uitgevoerde regeling al jarenlang hebben. Ze mogen in alle gevallen op de pensioeningangsdatum shoppen. En dat is een hele verbetering!

Er zijn wat mij betreft nog twee principiële punten en één technisch punt over waarvan ik hoop dat ze in de parlementaire behandeling aan de orde komen.

  1. Het wetsvoorstel is nog steeds te veel geënt op de situatie bij fondsen. Dat is overigens niet verwonderlijk als je weet dat de architect van dit voorstel het Shell Pensioenfonds is. Daar maakt dit fonds overigens zelf allerminst een geheim van en lijkt er zelfs trots op te zijn! Het is echter wel opvallend en tekenend voor de manier waarop politiek Den Haag naar pensioenen kijkt. Dat er ook nog andere uitvoerders zijn dan pensioenfondsen is niet ‘top of mind’ bij ministerie en Kamer. Met name bij premie- en kapitaalovereenkomsten zijn verzekeraars ook belangrijke uitvoerders. Bij verzekeraars is in 60% van de in het totaal door hen uitgevoerde - bijna 41.000 - regelingen sprake van een premie- of kapitaalovereenkomst. Bij pensioenfondsen is dit niet meer dan ruim 8% van de in het totaal uitgevoerde 540 regelingen. Van de ongeveer 1 miljoen deelnemers in een premie- of kapitaalovereenkomst zit grofweg de helft bij een verzekeraar en de helft bij een pensioenfonds.
    Verzekeraars voeren dus meerdere regelingen voor meerdere werkgevers uit. Op basis van dit voorstel lijken (ik zeg het voorzichtig!) verzekeraars geen toedelingskring te kunnen vormen die bestaat uit deelnemers uit meerdere regelingen. Een toedelingskring is een groep personen waarvoor de manier waarop financiële mee- en tegenvallers (beleggingsrendement, ontwikkeling van het sterfteresultaat of de ontwikkeling van de levensverwachting) collectief wordt verwerkt in de variabele uitkering voor de hele groep.

    Het wetsvoorstel gaat er van uit dat de toedelingskring bestaat uit een in het pensioenreglement omschreven groep pensioengerechtigden (art. 63a). Een pensioenreglement legt per pensioenregeling vast wat er is afgesproken. Is de pensioenuitvoerder een pensioenfonds, dan is er niets aan de hand want alle deelnemers nemen doorgaans deel aan dezelfde pensioenregeling met hetzelfde pensioenreglement. Bij een verzekeraar ligt dat anders. Die kent diverse regelingen met per regeling een pensioenreglement. Ik pleit er dus voor om de toedelingskring door de pensioenuitvoerder te laten bepalen en niet op grond van of in een pensioenreglement. Dan kan de verzekeraar een toedelingskring vormen uit deelnemers uit verschillende regelingen die eenzelfde risicoprofiel en lifecycle hebben (bijvoorbeeld iedereen met een neutraal profiel die in 2016 met pensioen gaat). Dat beperkt de mogelijkheden van de pensioenfondsen ten opzichte van de huidige tekst niet en neemt een – wat mij betreft ongewenste – belemmering voor de pensioenverzekeraars weg.
  2. Het wetsvoorstel biedt deelnemers het keuzerecht voor een vaste of een variabele uitkering (art. 63b). Op zich een duidelijke verbetering ten opzichte van het concept. Maar het is nog steeds zo dat als een deelnemer niet reageert op de voorgelegde keuze, hij default in de variabele pensioenuitkeringen terecht kan komen. Dat vind ik ongewenst, omdat iemand wat mij betreft bewust en expliciet moet kiezen voor een meer risicovol variabel pensioen, met een wellicht wat hoger rendement. Daarom pleit ik voor de omgekeerde situatie. Een uitvoerder legt de deelnemer de keuze voor een variabele uitkering of een vaste uitkering voor. Als de deelnemer niet binnen een bepaalde periode reageert en expliciet kiest voor een variabele uitkering, krijgt hij een vaste uitkering. Dit is vergelijkbaar met hoe het is geregeld voor een nabestaandenpensioen op risicobasis (art 61 PW). Een nabestaandenpensioen op risicobasis vervalt op pensioeningangsdatum. Er is dus nadat het ouderdomspensioen is ingegaan in beginsel geen partnerpensioen voor de partner van de pensioengerechtigde. Dat vinden we maatschappelijk niet gewenst. Daarom is de pensioenuitvoerder verplicht om in dergelijke gevallen een voorstel te doen waarin op de pensioeningangsdatum een stuk van het ouderdomspensioen wordt geruild in nabestaandenpensioen, zodat er ook na pensioeningangsdatum dekking is voor de partner. Als de deelnemer niet binnen de door de pensioenuitvoerder gestelde termijn reageert op dit voorstel, gaat de pensioenuitvoerder over tot de ruil. Zo kan het dus niet voorkomen dat een pensioengerechtigde onbewust na pensioeningang geen dekking meer heeft voor zijn partner. Dat zou ook zo moeten zijn bij de variabele uitkering. Het moet niet zo zijn dat een deelnemer de daarmee gepaard gaande risico’s onbewust op zich neemt.
  3. En het technische punt. Een Premie Pensioeninstelling (PPI) mag op basis van het wetsvoorstel variabele pensioenuitkeringen (dus na pensioeningang) uitvoeren, mits deze uitkeringen geen verzekeringstechnische risico’s bevatten. Mij is nog steeds niet duidelijk op welk niveau er bij de PPI geen sprake mag zijn van verzekeringstechnische risico’s als de PPI ook in de uitkeringsfase de pensioenuitvoerder is. Op deelnemer-niveau, contract-niveau, of portefeuille-niveau? Wat mij betreft zou het portefeuille-niveau moeten zijn.
    Voor verzekeraars geldt precies het omgekeerde. Daar moet juist wel sprake zijn van voldoende risico om van een verzekering te kunnen spreken. Ik ben inmiddels zo oud dat ik de discussie over het begrip levensverzekering nog goed kan herinneren die leidde tot het rapport van de toenmalige Verzekeringskamer in 1993. Daarin staat onder andere: “Een afzonderlijke benadering is noodzakelijk indien de overeenkomst een zuivere tontine (of een daarmee gelijk te stellen verzekeringsvorm) betreft. Hierbij heeft de verzekeringnemer een reële kans op voor of nadeel die berust op de sterftekansen van de overige deelnemers en op zijn in leven zijn op de einddatum. Mede gezien het karakter van dit type overeenkomst, met name het contractueel delen in de overlijdenswinst, acht de werkgroep het niet noodzakelijk te eisen dat de verzekeraar zich van te voren verbindt tot extra uitkeringen boven de bedragen die op de einddatum voor de dan levende deelnemers beschikbaar zijn”.
    En dat is precies de verzekeringsvorm waarin het Wetsvoorstel variabele pensioenuitkering voorziet.
    Mijn stelling is dan ook dat zowel verzekeraars als PPI-en een dergelijke regeling mogen uitvoeren. Het zou mooi zijn als in de parlementaire behandeling blijkt of ik dit goed zie.
     

Kortom; het uiteindelijke wetsvoorstel is aanmerkelijk beter dan het ter consultatie voorgelegde concept, maar wint nog meer aan kracht als deze punten worden meegenomen.

261115