Toeval bestaat niet. Over AFM, DNB en doorsneepremie

Toeval bestaat niet.

Toeval bestaat niet was de laatste stelling van mijn proefschrift. Vorige week publiceerden AFM en DNB een position paper over pensioen en versterkten daardoor mijn geloof in deze stelling. AFM bracht op 13 januari de notitie “Naar een toekomstbestendig tweede-pijlerpensioen” uit. DNB volgde op 15 januari met “Position Paper DNB ten behoeve van de nationale pensioendialoog”. De richting van beide stukken is dezelfde.  En dan is het volgens mij niet toevallig dat twee toezichthouders in dezelfde week soortgelijke stukken publiceren.

Behalve overeenkomsten zijn er ook verschillen. AFM stelt dat zij met hun paper een bijdrage willen leveren aan de door staatssecretaris Klijnsma georganiseerde Nationale Pensioendialoog. Klijnsma riep nadrukkelijk iedereen op om aan deze dialoog deel te nemen. Dus waarom niet ook de AFM? DNB schrijft haar paper vanuit haar rol als toezichthouder. Iets wat AFM vermijdt. Ook DNB stelt echter dat zij met het paper wil bijdragen aan de brede maatschappelijke discussie over de toekomst van het Nederlandse pensioenstelsel.

Zowel AFM als DNB pleiten voor een meer gedifferentieerde benadering van de premiebetaling door en voor deelnemers. AFM vraagt zich af of het nog uitlegbaar is aan de deelnemers dat iedereen hetzelfde percentage aan premie inlegt wanneer er grote variatie is tussen deelnemers in omstandigheden en behoeften. AFM stelt daarom voor om deelnemers de mogelijkheid te bieden om de hoogte van de premie gedeeltelijk zelf te bepalen.
DNB signaleert als belangrijk aandachtspunt dat het huidige pensioenstelsel onvoldoende rekening houdt met de kenmerken van de deelnemers. Het “one-size-fits-all” systeem knelt omdat de financiële ruimte om te sparen voor het pensioen verschilt. DNB stelt voor rekening te houden met de verschillen tussen deelnemers door de hoogte van de ambitie en dus de premie te differentiëren. Een ambitie en premie die geleidelijk afneemt met het inkomen, legt volgens DNB bij mensen met een hoger inkomen een grotere individuele verantwoordelijkheid neer voor hun oudedagsvoorziening.

Zoals ik in mijn BNR-commentaar (http://bit.ly/1KEr13c) op het AFM-voorstel zei, ben ik groot voorstander van meer flexibiliteit voor de deelnemers en voor een individuele keuze om minder pensioenpremie te betalen als ze dat willen. Hierdoor ontstaat financiële ruimte om een huis of de studie van de kinderen te bekostigen. Ik gaf echter ook aan dat er nog de nodige (juridische) haken en ogen zitten aan de voorstellen. Zo lang die niet zijn opgelost, gaat het niet werken. De belangrijkste hobbel is de doorsneepremie. Bij een regeling met een doorsneepremie is het voor jongere deelnemers voordelig om een deel van de premie een andere bestemming te geven en voor ouderen juist niet. De premie is immers voor iedere deelnemer - ongeacht zijn leeftijd – hetzelfde percentage van zijn salaris. Dat werkt selectie in de hand en ondergraaft het systeem. Zowel AFM als DNB onderkennen dit. AFM spreekt zelfs van een “onuitlegbare herverdeling tussen jong en oud”.  DNB is wat gematigder en noemt het vervangen van de doorsneepremie een “uitdaging”. Beide instanties willen de doorsneepremie vervangen door een actuarieel correcte (DNB) dan wel actuarieel faire (AFM)  systematiek. In een dergelijke systematiek is de premie afgestemd op de leeftijd van de deelnemer. Voor hem geldt de premie die op grond van de verzekeringswiskunde nodig is om de aan hem toegezegde pensioenaanspraak te financieren. Dit is bij rechtstreekse verzekerde pensioenregeling al jaar en dag gebruikelijk en dat functioneert uitstekend. Opvallend is het dat AFM de degressieve opbouw als voorbeeld van een actuarieel fair systeem aanhaalt. Bij degressieve opbouw  nemen de op te bouwen aanspraken per jaar af naarmate de deelnemer ouder wordt. Dat leidt echter tot onderscheid in de arbeidsvoorwaarde pensioen op grond van leeftijd. En dat mag op grond van Europese regels en de daarop gebaseerde Nederlandse wetgeving niet. Tenzij er sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond. En die zie ik niet zo een, twee drie. Ik blijf me verbazen over het feit dat – met name economen – het probleem van de doorsneefinanciering op willen lossen door in te grijpen in de opbouw van de pensioenaanspraken. 

Dé oplossing van de doorsneeproblematiek is wat mij betreft dan ook overstappen naar een echte actuariële en dus progressieve premie.

180115