Meer flexibiliteit in plaats van pensioen voor wonen en zorg

Meer flexibiliteit in plaats van pensioen voor wonen en zorg. 

Tijdens de studiemiddag “Acht juridische analyses voor de toekomst van het pensioenstelsel” op de Vrije Universiteit Amsterdam op 11 november 2014, ging ik onder meer in op de vraag of pensioen gebruikt moet/mag worden om de hypotheek versneld af te lossen of de kosten van zorg mede te betalen. Daar ben ik niet voor. Wel bepleit ik meer flexibiliteit in de pensioenregelingen, zowel vóór als na pensioeningangsdatum. Daarmee bereiken materieel hetzelfde doel. In dit blog zet ik kort mijn ideeën zoals ik die op de studiemiddag presenteerde uiteen. 

Uitwisselbaarheid pensioen en kosten van zorg of hypotheek?

De uitwisselbaarheid tussen pensioen en kosten van zorg of hypotheek duikt regelmatig op in de politieke discussie. Een extra afkoopmogelijkheid voor pensioen ten behoeve van zorgkosten en/of het aflossen van de hypotheek is daarvoor een veel genoemde mogelijkheid. Daarmee kom je echter aan de fundamenten van het pensioen. Pensioen is een oudedagsvoorziening. En daar hoort wat mij betreft bij dat het ouderdomspensioen levenslang en niet afkoopbaar is. Je oudedag houdt immers pas op als je dood bent!

Een heel andere vraag is, of het niveau van onze pensioenvoorziening per definitie en voor iedereen moet zijn wat het nu is. Deelnemers hebben nu doorgaans weinig keuze. Ze doen mee in de pensioenregeling van hun werkgever. Of het pensioenresultaat dat daaruit op pensioeningangsdatum voortvloeit voor hen genoeg, te veel of te weinig is, is daarbij niet aan de orde. Iedere deelnemer krijgt het pensioenresultaat dat uit de collectieve regeling voortvloeit. Met als gevolg dat sommige deelnemers na hun pensioendatum een inkomen hebben dat meer is dan ze feitelijk nodig hebben. Dat ze daarmee een aardig spaarpotje voor de kinderen kunnen vormen, is natuurlijk leuk en prima. Maar niet echt de bedoeling van pensioen als onderhoudsvoorziening. Ik pleit daarom voor meer flexibiliteit en keuzevrijheid voor de deelnemer. Zowel vóór als ná pensioendatum. 

Meer flexibiliteit voor pensioendatum

Voor de extra flexibiliteit voor pensioendatum zoals ik die voor me zie, is geen wijziging van de fiscale wetgeving noodzakelijk. Wel een verandering van de manier waarop pensioenregelingen momenteel zijn opgezet. Op basis van de collectieve regeling betaalt de werkgever nu een premie. Vaak is er ook sprake van een bijdrage van de werknemer. Ik pleit ervoor om de werknemer de mogelijkheid te geven om een deel van de voor hem beschikbare premieruimte zelf in te vullen voor pensioen, wonen of zorg. De werkgever stelt een bepaald bedrag ter beschikking als bestemming gebonden salaris. Dit is maximaal het bedrag dat nu in de Wet LB 1964 onder de omkeerregel voor pensioen valt. Vóórdat het echter als pensioenpremie in de pensioenregeling wordt gestort, mag de deelnemer bepalen welke gedeelte hij, met gebruikmaken van de omkeerregel, wil gebruiken voor pensioen. Als hij niet de maximale ruimte gebruikt, kan hij het restant gebruiken voor aflossing van zijn hypotheek en/of het betalen van zorgkosten. Dit gebeurt dan uit zijn netto inkomen. Welk deel hiervoor beschikbaar is, is een politieke afweging, waar ik hier niet op inga. Wel moet het pensioen blijven voorzien in een adequate onderhoudsvoorziening. Maar het niveau daarvan kan van deelnemer tot deelnemer verschillen. Het gedeelte dat eenmaal is gestort in de pensioenregeling is en blijft pensioen en kan daar niet meer anders uitkomen dan in de vorm van een levenslange niet afkoopbare periodieke uitkering.

Fundamenteel verschil met andere voorstellen zoals bijvoorbeeld het RMU-voorstel, is echter dat in mijn voorstel niet de pensioenpremie of -aanspraken een andere bestemming krijgen, maar de deelnemer de in het totaal voor hem beschikbare loonruimte anders verdeelt.   

Meer flexibiliteit na pensioendatum 

Ook na ingang van het pensioen kan zich de situatie voordoen dat behoefte is aan incidenteel meer inkomen. Bijvoorbeeld om tijdelijke zorgkosten te betalen, of bijvoorbeeld een traplift te financieren zodat iemand langer thuis kan wonen. Dat kan mijns inziens binnen de verzorgingsgedachte van het pensioen vorm krijgen. Op dit moment mag een ingegaan pensioen al fluctueren binnen een bepaalde bandbreedte. De laagste uitkering mag daarbij niet minder bedragen dan 75% van de hoogste uitkering en de mate van variatie moet uiterlijk op de pensioeningangsdatum vaststaan.390 Met name die laatste eis belemmert de mogelijkheid om onverwachte zorguitgaven te bekostigen uit het ingegane pensioen. Ik pleit er daarom voor om ook na pensioeningangsdatum, in een beperkt aantal situaties, de pensioenuitkering incidenteel te verhogen binnen de 100/75 bandbreedte. Daarmee blijft het pensioen een echte oudedagsvoorziening, maar krijgt de pensioengerechtigde meer mogelijkheden om onverwachte zorgkosten te financieren. En dat is in ons aller belang.