Huilende weduwen; geplaatst 30 september 2014

Een goede vriend van mij is uitbehandeld en gaat binnen afzienbare tijd dood. Dat is op zich al triest genoeg. Veel triester is het dat het financieel gesproken voor zijn gezin beter is dat nog dit jaar te doen dan volgend jaar. Dat scheelt zijn partner ongeveer € 15.000 per jaar aan partnerpensioen! Hetzelfde geldt voor het wezenpensioen voor zijn twee jonge kinderen. Ik kan dat niet uitleggen. Maar het is wel de realiteit. 

Per 1 januari 2015 wijzigt de fiscale pensioenregelgeving al weer. Het opbouwpercentage gaat verder naar beneden. Naar 1,875% per jaar. Een terugval van ruim 12%! Voor mensen die meer dan € 100.000 verdienen, is de terugval veel groter. Het pensioengevend salaris is straks namelijk gemaximeerd op dat bedrag. Voor het ouderdomspensioen is dat op zich niet zo’n probleem. Wat is opgebouwd tot 1 januari 2015 blijft onaangetast en een eventueel tekort kan de meer dan een ton verdienende werknemer bij sparen tot aan zijn pensioendatum. Voor het partnerpensioen ligt dit anders. Het partnerpensioen is doorgaans afgeleid van het bereikbare ouderdomspensioen. Dat wil zeggen dat de partner 70% krijgt van het ouderdomspensioen dat de overleden werknemer had kunnen opbouwen als hij tot zijn pensioendatum was blijven leven. Als de werknemer ná 1 januari 2015 dood gaat, is zijn bereikbare ouderdomspensioen een stuk lager dan als hij dit doet vóór die datum. Tot 1 januari 2015 is zijn bereikbare ouderdomspensioen immers gebaseerd op 2,15% per dienstjaar tot de pensioendatum en op zijn volledige salaris. Na 1 januari 2015 is dit 1,875% en een maximum salaris van € 100.000. En als het bereikbare ouderdomspensioen fors lager is, is het daarvan afgeleide partnerpensioen dit ook. De partner van een nu 40-jarige werknemer met een salaris van € 150.000 krijgt ongeveer € 18.000 per jaar minder pensioen als de werknemer dood gaat in 2015 ten opzichte van het bedrag dat zij krijgt als hij in 2014 overlijdt. 

Natuurlijk hoef je geen medelijden te hebben met iemand die (veel) meer verdient dan een ton. Hij baseert zijn financiële huishouding en planning echter wel op dit salaris. Zijn uitgaven en financiële verplichtingen stemt hij hier ook op af. Als hij onverwacht sterft, blijft zijn partner achter met deze verplichtingen. Haar uitgavenpatroon wijzigt hierdoor niet opeens drastisch. 

Een oplossing kan het nettopensioen zijn. Voor het inkomen boven € 100.000 kan vanuit het netto inkomen een nettopensioen worden opgebouwd dat overeenkomt met netto 1,875% per dienstjaar. De nettopensioenregeling mag ook voorzien in een netto partnerpensioen. Het hiervoor geschetste dreigende tekort kan op die manier dus worden gerepareerd. Maar het is daarvoor wel erg kort dag! De ontwerp algemene maatregel van bestuur die een en ander nader uitwerkt, staat pas eind september op de agenda van de Tweede Kamer. Het fiscale kader van het nettopensioen staat in het Belastingplan 2015. Dat verscheen met Prinsjesdag en moet nog in de Tweede en Eerste Kamer behandeld worden. De ervaring leert dat de definitieve afronding vaak vlak voor het einde van het jaar plaatsvindt. Voor de zomer kondigde staatssecretaris Klijnsma een aanpassing van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet BPF 2000 aan. Op grond hiervan worden Bedrijfstakpensioenfondsen verplicht om dispensatie te verlenen aan werkgevers die hun netto pensioenregeling bij een andere pensioenuitvoerder willen onderbrengen. Het concept verscheen op 30 september en het parlement moet zich er nog over uitlaten. Werkgevers kunnen pas naar een andere uitvoerder als ze dispensatie hebben van hun bedrijfstakpensioenfonds. Dat heeft natuurlijk enige tijd nodig om het dispensatieverzoek te behandelen. We leven inmiddels begin oktober. De drie hiervoor genoemde ontwikkelingen geven mij het bange vermoeden dat werkgevers niet in staat zijn om vóór 1 januari 2015 een nettopensioenregeling in te voeren voor de werknemers die meer dan € 100.000 verdienen. Met als gevolg huilende weduwen aan de poort als werknemers kort na 1 januari dood gaan.  

De beste oplossing is om de aftopping in het geheel niet te laten gelden voor partnerpensioen op risicobasis.  Hierbij geldt dezelfde redenering die voor het kabinet aanleiding was het arbeidsongeschiktheidspensioen buiten de aftopping te laten. Er is sprake van verzorging in de vorm van een inkomen vervangende uitkering en niet van (verkapte) vermogensvorming. Een deelnemer kiest er niet voor arbeidsongeschikt te worden, dat overkomt hem. En dat geldt ook voor de partner. Die kiest er niet voor om weduwe te worden. Ook dat overkomt haar. 
Mocht afstel een politieke brug te ver blijken, dan pleit ik voor uitstel van de aftopping voor partnerpensioen met een jaar. Dan krijgen werkgevers de kans om het fatsoenlijk te regelen voor de nabestaanden van mensen zoals mijn vriend. Zij zijn tenslotte niet de oorzaak van alle vertraging waardoor dit nu praktisch onmogelijk is.

 

Naschrift: Mijn vriend is op 8 oktober 2014 overleden.