Verschil in op te bouwen aanspraken voor arbeidsongeschikte deelnemers met en zonder arbeidsongeschiktheidspensioen

       Een arbeidsongeschikte werknemer gaat doorgaans na enige tijd (veelal twee jaar) uit dienst bij zijn werkgever. Zonder dienstverband kan er in beginsel geen sprake zijn van pensioenopbouw. Pensioenopbouw is immers gerelateerd aan dienstjaren. In artikel 10a van het Uitvoeringsbesluit Loonbelasting 1965 is een uitbreiding opgenomen van het begrip dienstjaren. Als perioden die meetellen als dienstjaren worden in aanmerking genomen perioden gedurende welke de werknemer na onvrijwillig ontslag een loongerelateerde uitkering ontvangt. Indien en voor zo lang een arbeidsongeschikte gewezen werknemer een loongerelateerde uitkering ontvangt, mag zijn pensioenopbouw op basis van de premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid door gaan. Meestal is de WIA de loongerelateerde uitkering waardoor de pensioenopbouw mag doorgaan. De WIA liep tot voor kort tot 65. De pensioenrichtleeftijd was ook 65, dus kon de pensioenopbouw voor een arbeidsongeschikte keurig tot zijn pensioendatum worden voortgezet. Met de verhoging van de AOW-ingangsleeftijd, is in de wetgeving overal “de 65-jarige leeftijd” vervangen door “de AOW-ingangsdatum. De WIA loopt inmiddels dus tot de AOW-ingangsdatum. In 2014 is die 65 jaar en twee maanden. De pensioenrichtleeftijd is inmiddels 67. De belastingdienst stelt zich op het standpunt dat de pensioenopbouw in de periode na 65 jaar en twee maanden tot 67 jaar niet langer kan worden voortgezet. Omdat er dan geen WIA-uitkering meer is en dus geen sprake meer is van een loongerelateerde uitkering. Dat is alleen anders als er naast de WIA ook een arbeidsongeschiktheidspensioen loopt dat wel tot 67 uitkeert. Het arbeidsongeschiktheidspensioen is immers als zodanig ook een loongerelateerde uitkering. Dat leidt dus tot de vreemde situatie dat een werknemer met een salaris boven de WIA-grens, die een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen heeft dat tot 67 uitkeert, wél bij arbeidsongeschiktheid premievrijstelling tot aan zijn pensioenrichtleeftijd kan krijgen, terwijl zijn minder verdienende collega, die bij arbeidsongeschiktheid alleen een WIA-uitkering krijgt dit niet kan. En dat terwijl voor beide deelnemers premie is betaald voor de dekking van premievrijstelling tot aan de pensioenrichtleeftijd!
En dit is geen tijdelijk probleem. Ook nadat de AOW-ingangsleeftijd 67 is (zoals het er nu uitziet in 2021), lopen de AOW-ingangsleeftijd en de pensioenrichtleeftijd structureel uit elkaar. Dat komt omdat de AOW-leeftijd bij een verdere stijging van de levensverwachting met stapjes van drie maanden omhoog gaat, terwijl dat bij de pensioenrichtleeftijd met stappen van een jaar gebeurt. Daardoor zijn de AOW-ingangsleeftijd en de pensioenrichtleeftijd nooit aan elkaar gelijk. Hieruit blijkt dat de hierboven geschetste problematiek geen theoretische mogelijkheid, die zich doorgaans niet snel zal voordoen, zoals de staatsecretaris stelt.[1] De argumentatie dat lager betaalde werknemers hun pensioeningangsdatum zullen vervoegen om deze samen te laten vallen met de AOW-ingangsdatum, doet enigszins gezocht aan. Het kabinet verdedigt de  verhoging van de pensioenrichtleeftijd met het argument dat de levensverwachting stijgt en iedereen (dus) langer moet doorwerken. Het is daarom vreemd dat de staatssecretaris ter verdediging van de weigering om artikel 10a UBLB 1965 aan te passen, aanvoert dat deze werknemers waarschijnlijk wel eerder stoppen met werken!

 

 



[1] Kamerstukken II, 2013-2014, 33 847, nr. 11, blz. 18-19.